Als de levensbeschouwelijke achtergronden van steineronderwijs al
slecht zichtbaar zijn, met de didactiek of onderwijskunde is het niet
minder erg gesteld. Mijn ervaring is dat slechts weinig mensen in
steinerscholen op de hoogte zijn van didactiek. De scholen beroepen zich
voornamelijk op wat Steiner enkele dagen voordat in september 1919 de
eerste steinerschool werd geopend als pedagogische, didactische en
praktische aanwijzingen aan de toenmalige leraren heeft meegegeven. We
hebben het dan over een veertigtal door Steiner gehouden voordrachten
die later in boekvorm zijn verschenen (zie onder). Deze aanwijzingen, die zowat
alles behelzen wat Steiner over onderwijs wist te vertellen, zijn in
weinig te vergelijken met wat tegenwoordig onder onderwijskunde wordt
verstaan. Eerder zou men ze filosofische beschouwingen over onderwijs
kunnen noemen, waarvan de concrete uitwerking zich beperkt tot een
aantal bruikbare voorbeelden. Het handjevol aangereikte ideeën,
gecombineerd met de talloze uitweidingen naar niet relevante
onderwerpen, verraden Steiners gebrek aan een op onderwijs toegespitste
theoretische achtergrond waarin zijn eigen ideeën kunnen worden
gekaderd. Het is tekenend voor de geringe mate waarin Steiner zich
verdiept heeft in onderwijs dat in zijn omvangrijke oeuvre van meer dan
dertig zelfgeschreven boeken slechts één geschrift, een bescheiden
essay over opvoeding en onderwijs, is terug te vinden [1]. [1] R. Steiner, De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie – een essay uit 1907, Vrij Geestesleven 1992 |



