‘De ene school is de andere niet’ of ‘het hangt vaak van de leraar
af’. Deze twee ‘open deuren’ duiken eestal op wanneer de steinerschool
negatief in de belangstelling komt en men het aangekaarte probleem onder
de mat wil vegen.
Nu is vanzelfsprekend de ene school de andere niet (open deur), maar
als we het over leerachterstanden bij steinerschoolleerlingen hebben,
lijkt het erop dat het ene probleem opvallend veel op het andere lijkt.
En wel in die mate dat de verhalen die gedupeerde ouders daarover te
vertellen hebben bijna identiek zijn. Men zou het verhaal van die
ouders als volgt kunnen samenvatten: ‘Onze kinderen zaten in de hogere
klassen van de basisschool en hebben amper of niet leren lezen,
schrijven of rekenen’. Duidelijk leerachterstand, toch? Of zoals
het volgens het Nederlands Jeugd Instituut
correct moet worden geformuleerd: onderwijsachterstand. Vooraleer de
reacties van enkele ouders te bekijken, is het misschien interessant om
hier heel summier het begrip onderwijsachterstand te schetsen.
Wanneer een kind ten opzichte van leeftijdgenoten achter
is in onderwijs of opleiding, spreekt men van een onderwijsachterstand.
Meestal wordt het begrip gebruikt om groepen leerlingen aan te duiden
die een onderwijsachterstand hebben of dreigen op te lopen als gevolg
van het feit dat hun ouders laag opgeleid zijn en/of tot een
migrantengroep behoren.
Dossier onderwijsachterstanden
Onderwijsachterstanden ontstaan door een samenspel van
risicofactoren. Deze factoren kunnen te maken hebben met de kinderen
zelf en met de omgeving waarin zij opgroeien.
Op schoolniveau kunnen er risico’s liggen in het leefklimaat en de kwaliteit van de school.
Oorzaken en achtergronden problematische ontwikkeling bij jongeren
… factoren in de directe sociale omgeving: structurele factoren zoals
gezinssituatie, leefklimaat op school, deviant gedrag van de peergroep,
en interpersoonlijke factoren zoals de mate van adequate ondersteuning
door opvoeders, beroepskrachten, leeftijdgenoten, partner en sociaal
netwerk.
In deze omgevingsfactoren zijn drie domeinen te onderscheiden: het
gezin, de school en de peergroep. Uit onderzoek blijkt wat op die
domeinen de belangrijkste risicofactoren voor problemen zijn:
School: agressief gedrag of slechte impulscontrole aan het begin van
de basisschool, spijbelen en voortijdig schoolverlaten, slechte
schoolresultaten, gebrek aan betrokkenheid bij de school, gebrek aan
organisatie en controle op school, ontbreken van duidelijkheid over of
stimulering van sociaal wenselijk gedrag binnen de school.
Aan onderwijsachterstanden kleven enkele niet mis te verstane gevolgen.
Ze leiden tot slechtere loopbaanperspectieven, maken het
moeilijker om mee te komen in de maatschappij en vergroten de kans
dat de volgende generatie ook met een onderwijsachterstand aan de school
begint.
Loopbaanperspectieven
Een kind dat met een onderwijsachterstand aan de basisschool begint,
haalt deze achterstand nauwelijks meer in zolang hij op school zit.
Kinderen die een achterstand hebben op het gebied van taal, riskeren een
onderwijsachterstand in alle vakken. Dat komt doordat taal een
instrument is waarmee leerkrachten de kinderen in alle vakken kennis en
vaardigheden bijbrengen. Daarnaast hebben kinderen met een
onderwijsachterstand een grotere kans op schooluitval en een kleinere
kans om een hoge opleiding af te ronden.
Maar dat is niet dadelijk iets waar de steinerschool een boodschap aan heeft. Want wat zegt haar pedagogisch project?
De opdracht van de leraar in de steinerschool is dan ook
niet om de kinderen die vaardigheden en competenties bij te brengen die
kunnen bijgebracht worden. (…) Aan de tendens om de politiek en
economisch wenselijk of nuttig geachte vaardigheden zo vroeg mogelijk
bij te brengen (‘leren participeren zoals volwassenen dat doen’,
‘ICT-vaardigheden’, ‘vervroegd formeel en cognitief leren’, ’nuttige
competenties voor de arbeidsmarkt’, …) willen steinerscholen niet
toegeven. (…) Steinerpedagogie is in eerste instantie een mens- en
ontwikkelingsgeoriënteerde, geen (kennis) maatschappijgeoriënteerde
pedagogie.
Niet maatschappijgeoriënteerd. Dat is natuurlijk ingefluisterd door
Rudolf Steiner zelf, die de maatschappij liever anders (of meer op zijn
maat) had gezien.
Het is noodzakelijk dat de mens door middel van
opvoeding, vorming en onderwijs op een andere manier een plaats in de
samenleving krijgt dan tot nu toe het geval was (…) En in het
opgroeiende kind willen we niets anders zien dan de zich ontwikkelende
mens (…) Een nieuw inzicht in het wezen van de mens is noodzakelijk (…)
En dat inzicht kan alleen maar voorkomen uit een nieuwe wetenschap (…)
Daarom werken we in de cursus, waarin de leraren worden voorbereid op
het lesgeven aan de Vrije School, vanuit werkelijke menskunde (…) Wij
bestuderen het ware wezen van het menselijke denken, zodat het juiste
denken in het kind kan worden ontwikkeld (…) Werkelijke wetenschap is
niet een dood weten, zoals de wetenschap dat tegenwoordig vaak is (…) En
hier botst datgene wat de mensen vanuit de oude verhoudingen nog met
zich meebrengen met datgene wat noodzakelijk is voor een werkelijk
sociaal gevormde toekomst voor de mensheid (…) Tegenwoordig neemt de
staat immers het opgroeiende kind op een bepaalde leeftijd van de ouders
over (…) Natuurlijk laat de staat datgene bij het kind inpompen, wat de
staat nodig vindt om het staatsapparaat draaiende te houden en wat
nodig is om mensen te laten doen wat de staat met hen wil (…) Daarom
willen we er alles aan doen om onderwijs en opvoeding vorm te geven,
zoals ik beschreef (…) Men zal moeten geloven en begrijpen, dat datgene
wat we sociale omwenteling noemen, zich in de eerste plaats moet
voltrekken zoals we dat in de Vrije School proberen.
Bron: R. Steiner & M. Boeke, Vrijheid van onderwijs en sociale driegeleding, Nearchus C.V. 1990