'Leerlingen van steinerscholen in het middelbaar onderwijs presteren op cognitief vlak slechter dan leerlingen van reguliere scholen doordat ze meestal basisonderwijs op steinerscholen hebben gehad. Daar hebben ze de cognitieve vakken niet zo goed geleerd. De opgelopen achterstand halen ze later niet meer in.' Deze en nog andere conclusies trekt Hilde Steenbergen. Die deed in Nederland in 2009 vergelijkend onderzoek naar de effectiviteit van steinerscholen (NL. vrijescholen) en reguliere scholen voor voortgezet onderwijs. Wanneer steinerscholen onder vuur liggen vanwege de slechte kwaliteit van hun onderwijs, beweren die scholen altijd dat ze niet kunnen worden vergeleken met reguliere scholen. Ze verwijzen dan steeds naar hun brede onderwijsdoelstelling (brede ontwikkeling van leerlingen) die niet primair gericht is op cognitieve vaardigheden. Volgens Steenbergen is dit geen valide argument, omdat in Nederland elke school aan kerndoelen is gehouden. Dit geldt trouwens ook voor België, waar steinerscholen voortgezet onderwijs sinds 2005 weliswaar eigen eindtermen hebben, die in die zin afwijken van die van het regulier onderwijs, dat ze zich vooral beperken tot de basisvorming in het Algemeen Secundair Onderwijs. De eindtermen voor ASO in het regulier onderwijs worden ingedeeld in richtingen (Moderne Talen, Menswetenschappen, ..). Voor basisvorming zouden Belgische steinerscholen, als die ooit onderwerp van zo’n onderzoek zouden zijn, eigenlijk betere cijfers moeten kunnen voorleggen. Alleen al omdat ze niet specifiëren. Het verschil in grondslag en aanpak mag dus geen excuus zijn om mindere prestaties voor basisvaardigheden te vergoelijken. Het verschil tussen steinerscholen en reguliere scholen zit in de vertaling van grondslag naar manier van werken. Dat in steinerscholen leerstof als middel tot ontwikkeling en in reguliere scholen leerstof beheersen als doel wordt gezien, mag geen consequenties voor de basisvorming hebben. Uiteindelijk dienen alle scholen de kerndoelen, waarin de basisvaardigheden zijn opgenomen, na te streven. Niet alleen omdat steinerscholen zich meer richten op algemene vorming, maar ook vanwege hun leerlingenpopulatie zou men kunnen verwachten dat er meer resultaten tewoorschijn zou komen. Want in vergelijking van de effectiviteit van steinerscholen met reguliere scholen moet rekening worden gehouden met de leerlingenpopulatie van steinerscholen. Steenbergen stelt dat de leerlingenpopulatie op steinerscholen niet representatief is voor Nederlandse scholen.
Maar uit de conclusies blijkt dat op taal- en rekengebied niet bepaald sprake is van elite. En de algemene vaardigheden (waar steinerscholen de mond van vol hebben!) blijven nog verder achter.
Volgens het onderzoek hebben steinerschoolleerlingen een positiever academisch zelfbeeld, omdat ze prestaties niet aan intelligentie koppelen. Ze zijn ook ook milder en behulpzamer. Minder positief en herkenbaar vanuit de praktijk: ze zijn onzekerder en emotioneel minder stabiel dan leerlingen in het reguliere onderwijs. In het slot van haar proefschrift richt Steenbergen zich indirect tot ouders die zich voor de schoolkeuze zouden kunnen laten leiden door haar proefschrift. ’Zijn Vrije scholen goede scholen voor hun kinderen? ‘ vraagt ze zich af. Haar antwoord is zowel diplomatisch als veelzeggend.
Link naar artikel in NRC Handelsblad Link naar onderzoek Hilde Steenbergen Vrije school presteert slecht (Didaktief) |